woensdag 28 juli 2010

NRC verslikt zich in onderzoek kiezersvoorkeuren bezuinigingen

Het NRC Handelsblad pakt vandaag groot uit met een onderzoek waaruit zou blijken dat kiezers meer eensgezind zijn over de bezuinigingsmaatregelen dan partijen. De krant kopte ferm: “Breekpunten bestaan niet voor kiezers”. Het onderzoek werd uitgevoerd op de website van het NRC waar kiezers hun eigen bezuinigingspakket moesten samenstellen op basis van de voorstellen van de ambtelijke werkgroepen. Op zich is dit een informatieve website die inzicht geeft in de afwegingen die daarbij moeten worden gemaakt. Maar het NRC verslikt zich in de conclusies die hieruit getrokken kunnen worden.

Het belangrijkste bezwaar tegen de conclusies die het NRC trekt is dat de bezoekers van de nrc.nl geen aselecte steekproef van de kiezers vormen. De krant geeft dit zelf toe: “de deelnemers zijn niet per se representatief voor het hele electoraat, al zijn er geen aanwijzingen voor grote vertekeningen”. Waarop men baseert dat er geen aanwijzingen voor grote vertekeningen zijn, is echter onduidelijk. Er zijn namelijk alleen maar bezoekers van de website ondervraagd; op basis daarvan kun je weinig zeggen over de verschillen tussen bezoekers en niet-bezoekers, want over die laatste groep weet je niets. Een aanvullend probleem is dat mensen ‘zichzelf’ selecteerden voor deelname: mensen die het leuk vonden om mee te doen aan het onderzoek deden dat, politiek minder geïnteresseerde lezers deden dat waarschijnlijk niet.

Op basis van het Nationaal Kiezers Onderzoek (NKO, 2006) kan worden gezegd dat NRC-lezers weldegelijk andere politieke voorkeuren hebben dan mensen die niet dagelijks deze krant lezen. Toegegeven, dat is niet precies de groep die ook de website bezoekt, maar het geeft toch enig inzicht in de verschillen tussen NRC-lezers en anderen. Als we kijken naar de politieke positie van respondenten op een zevental onderwerpen, zien we dat er bij zes daarvan een statistisch significant verschil is tussen de NRC-lezers en niet-NRC-lezers. De scores zijn de gemiddelde posities van NRC-lezers en niet-NRC-lezers op beleidsschalen (die lopen van 1 tot 7). Op sommige onderwerpen (inkomensverschillen en kerncentrales) zijn de NRC-lezers rechtser, op de andere onderwerpen is men eerder progressiever en linkser (immigratie, integratie, Europese eenwording, criminaliteit). Je kunt deze verschillen ook bekijken per partij. Ze zijn niet altijd statistisch significant omdat het aantal respondenten dat het NRC-leest en op een kleine partij stemt maar klein is. Desondanks zien we de verschillen tussen NRC-lezers en niet-lezers. Juist omdat die verschillen niet allemaal hetzelfde zijn voor elke kiezersgroep kun je niet zomaar veralgemeniseren op basis van een groep NRC-kiezers. Het is zeer wel mogelijk dat meer progressief en economisch rechtsere NRC-lezers meer geneigd zijn te hervormen en te bezuinigen (en daar meer eensgezind over zijn) dan andere kiezers. Dat vertekent de resultaten mogelijk sterk.






Een ander probleem is de manier waarop mensen naar hun mening is gevraagd. Het is welbekend dat mensen desgevraagd een mening verstrekken over zaken waar ze eigenlijk niets van weten en/of vinden. De manier waarop de enquête wordt gepresenteerd draagt daar toe bij. Om mee te kunnen doen moet je namelijk minimaal 25 miljard bezuinigen. Hoe zeker kunnen we er van zijn dat elk van de invullers een zorgvuldige selectie maakt en niet uit gemakzucht kiest voor de knop ‘maximaal bezuinigen’ of helemaal niet? En sommige respondenten willen misschien wel minder bezuinigen, juist ook kiezers op linkse partijen.

Daarbij komt dat de presentatie soms erg technocratisch is, ondanks pogingen tot versimpeling. Zo komt het hele woord hypotheekrenteaftrek niet voor bij de opties over het hervormen van de woningmarkt (zie figuur). Zou iedereen weten dat een ‘verschuiving van box 1 naar box 3’ het geleidelijk afschaffen van de aftrek betekent? Waarschijnlijk niet, want in de krant zelf schrijft men er maar een toelichting bij. Het is zeer waarschijnlijk dat de manier van vraagstelling in dit geval grote invloed heeft op de verkregen antwoorden. Dat zou ook het verschil kunnen verklaren met de bevindingen van Maurice de Hond, die juist wel een sterk verschil tussen aanhangers van rechtse en linkse partijen ziet op dit punt.



De conclusies die de NRC-redacteuren trekken vinden dan ook onvoldoende basis in het onderzoek. Hoewel uit het onderzoek weldegelijk interessante patronen naar voren komen, zitten er veel te veel haken en ogen aan om zulke sterke conclusies over alle kiezers te baseren op een onderzoek onder websitebezoekers. Als uit een GeenStijl-peiling blijkt dat 70% van de bezoekers daar op de PVV stemt, dan trekken we daar ook geen conclusies uit voor de totale bevolking. De vertekening onder NRC-lezers is waarschijnlijk minder groot, maar ook niet afwezig. Feit is dat we niet precies weten hoe NRC-lezers zich verhouden tot de totale bevolking, al is duidelijk dat er inhoudelijke verschillen zijn tussen de groepen. Tel daar de onorthodoxe manier van vraagstelling bij op. Ik kan dan ook niet anders dan constateren dat de presentatie van de resultaten, met name op de voorpagina, de lezer misleidt.


dinsdag 27 juli 2010

De coalitieruimte: publieke opinie over de regeringssamenstelling

Bij het vormen van een regeringscoalitie is het vaak net als bij de opstelling van het Nederlands elftal: hoewel wij er geen van alleen over gaan, hebben we er toch een duidelijke mening over. De kiezer stemt op een partij, niet op een coalitie, maar veel stemmers hebben daar wel een voorkeur over. Het maakt immers nogal wat uit of er een rechts kabinet komt of toch een coalitie van CDA, PvdA, SP en GroenLinks. Zeker nu de verkiezingsuitslag niet eenduidig is, wordt vaak verwezen naar de coalitie ‘die de kiezer wil’. Daarbij zijn opiniepeilingen vanzelfsprekend een belangrijke bron.

Vaak wordt in opiniepeilingen gevraagd naar de voorkeurscoalitie. Daarbij krijg je een lijstje met een beperkt aantal opties te zien. Probleem van die aanpak is dat de voorkeurscoalitie daar niet altijd bij hoeft te zitten. Daarnaast kun je twee coalities vrijwel even goed vinden. Het kan bijvoorbeeld best zo zijn dat je de Roemer-variant aantrekkelijk vindt, maar gezien de grotere meerderheid toch Paars+ eerst een kans wil(de) geven.

Een andere aanpak is om mensen te vragen hoe graag ze een bepaalde partij in de regering willen hebben. Na het mislukken van de onderhandelingen over Paars+ stelde Maurice de Hond juist deze vraag in zijn Peil.nl onderzoek, dat zondag gepubliceerd werd. Respondenten konden aangeven of ze een partij ‘(absoluut) wel’ of ‘(absoluut) niet’ in de regering wilden of dat het hen niks uitmaakte. Die oordelen heb ik vertaald in scores van 1 (absoluut niet) tot 5 (absoluut wel) en gemiddeld. Allereerst blijkt dat de verkiezingsdeelname van de VVD buiten kijf staat: de score van alle kiezers (blauwe balk) is bijna 4. De kleinere partijen zijn minder gewild, wat deels te verklaren is door het feit dat ze nou eenmaal minder eigen kiezers hebben (en eigen kiezers willen de partij sowieso wel in de regering). Des te opvallender is het dat D66 juist wel door velen in de regering wordt gewenst. De PVV is minder populair: de eigen kiezers (rode balk) willen de partij graag in de regering, maar de kiezers van andere partijen blijkbaar niet.



De peiling van De Hond geeft informatie over hoe graag kiezers van een bepaalde partij elke partij in de regering willen. De eigen partij is natuurlijk zeer populair: alle partijen scoren ruim boven de 4 (geen cijfers over de ChristenUnie). Het CDA scoort hierbij het laagste. De verkiezingsnederlaag leidt dus ook bij de eigen kiezers tot terughoudendheid. De Hond geeft ook informatie over hoe graag de kiezers van bijvoorbeeld het CDA alle andere partijen in de regering wil. Die informatie heb ik ‘vertaald’ naar de grafische tweedimensionale weergave die hieronder staat. In deze figuur staan partijen (rode stippen) en de kiezersgroepen van de verschillende partijen (blauwe stippen). Als twee stippen dicht bij elkaar staan, betekent dit dat de betreffende kiezersgroep graag wil dat de betreffende partij graag in de regering wil. PvdA-kiezers willen bijvoorbeeld graag hun eigen partij in de regering, maar ook GroenLinks, D66 en de SP zijn wat hen betreft onderdeel van een nieuwe regeringscoalitie. GroenLinks-kiezers staan veraf van de rode stip van de PVV: GroenLinkers gruwen dus van het idee van een regering met de PVV (omgekeerd trouwens ook). De assen hebben overigens geen betekenis: het gaat in deze figuur om de afstanden tussen kiezers en partijen (vergelijk het met een landkaart).



De coalitieruimte laat een duidelijke scheidslijn tussen rechts (VVD, PVV, CDA) en links (PvdA, SP, D66, GL) zien. Kiezers op één van de rechtse partijen zien (gemiddeld genomen) elke andere rechtse partij liever in de regering dan één van de linkse partijen. CDA’ers zijn zelfs positiever over regeringsdeelname van de PVV dan van de PvdA, hoewel het oordeel over die twee partijen niet veel verschilt. VVD’ers hebben liever het CDA dan D66. Bij de achterbannen van de linkse partijen is iets meer verdeeldheid. Geen van alleen gaat graag in zee met de rechtse partijen, maar bij de SP is men negatiever over de VVD dan bij GroenLinks en D66. Ook over de sociaal-liberalen zijn de socialisten veel negatiever dan GroenLinks-stemmers. Van Paars+ moeten de SP-ers duidelijk niets hebben.




Hoewel het beeld gecompliceerd is, wil dat niet zeggen dat de kiezer irrationeel is. Als je de deelnemende partijen van elke coalitie met elkaar verbindt door een lijn, wordt de politieke ruimte namelijk keurig netjes opgedeeld in vier veelhoeken. Rechtsonder staat de Paars+ coalitie, die duidelijk populairder is onder de linkse kiezers (vooral D66) dan bij VVD-stemmers. Links in de figuur staat de rechtse coalitie (dat houdt u als lezer scherp!). Hierover bestaat in feite een behoorlijk grote mate van overeenstemming, zeker tussen VVD en PVV-kiezers. De CDA-ers staan iets verder weg, maar de afstand tot de PvdA is als gezegd nog groter dan die tot de PVV. De middenvariant staat precies waar deze te verwachten is: in het midden. Maar dat maakt zo’n coalitie niet automatisch geliefd: het politieke midden is, in ieder geval in de ogen van de kiezers, een kale woestenij die overbrugd dient te worden. Mochten al deze opties mislukken, dan komt wellicht de ‘Roemer’ variant op tafel: PvdA-CDA-SP-GL. Hierbij is de afstand tussen de partijen echter ook groot: geen van de achterbannen van de linkse partijen is erg enthousiast over coalitiedeelname van het CDA. Zelfs SP-kiezers willen liever de VVD dan het CDA in het kabinet. Dit maakt de Roemer-variant tot de minst gewilde optie.

De kleine oppervlakte van de ‘rechtse’ driehoek suggereert dat de kiezersoordelen over zo’n coalitie helder zijn: love it (VVD’ers, PVV’ers en in minder mate CDA’ers) or hate it (kiezers op andere partijen).  Opvallend genoeg is ook de vierhoek van de Paars+ combinatie niet heel groot. VVD’ers mogen dan niet zo te spreken zijn over deze coalitie, het kiezersoordeel is relatief coherent. Bij de andere twee combinaties, zeker de ‘Roemer-variant’ moeten, ook in de perceptie van kiezers, grotere verschillen worden overwonnen.


N.B. Peilingen zoals die van peil.nl hebben foutmarges. Deze foutmarges werden in dit geval niet gerapporteerd door peil.nl, maar deze zijn waarschijnlijk redelijk groot, omdat de hier gebruikte gegevens de opinies weergeven van subgroepen (namelijk de kiezers op een bepaalde partij). De groep van GroenLinks-kiezers bestaat bijvoorbeeld waarschijnlijk maar uit zo'n 100 respondenten, waardoor de onzekerheidsmarge van de steekproef al snel oploopt naar zo'n +- 5 procent (of meer). De in deze analyse vermelde patronen zullen waarschijnlijk bij benadering kloppen, maar bij het aflezen van de locatie van kiezersgroepen en partijen moet dus een zekere onzekerheidsmarge in acht worden genomen.

donderdag 22 juli 2010

Tussen fractie en partij

Vanavond las ik met interesse het rapport dat verscheen over de perikelen rondom de collegedeelname van GroenLinks in Arnhem. Het geeft een interessante inkijk in het proces van onderhandelingen en hoe dat fout kan gaan als de communicatie niet optimaal is. Uiteindelijk heeft de gemeenteraadsfractie ingestemd met collegedeelname, terwijl de afdelingsvergadering dit akkoord had verworpen. De verwerping van het akkoord gebeurde overigens niet zozeer vanwege inhoudelijke redenen, maar omdat er gedoe was ontstaan rond de invulling van de wethouderspost. De beoogde kandidaat kon zich niet vinden in het idee dat de zes wethouders elk 80% betaald zouden krijgen, maar wel volledig gingen werken. De episode brengt de aloude tegenstelling tussen fractie en partij weer in kaart.

De tegenstelling tussen de volksvertegenwoordigers en bestuurders van een partij vormt al sinds de vorming van massapartijen van tijd tot tijd een probleem. Als iedereen het eens is, hoor je natuurlijk niemand. Maar als er een verschil van inzicht is, komt de vraag naar boven: wie heeft het hier nu voor het zeggen? De wetgeving is daar in vrijwel alle landen heel duidelijk over: de volksvertegenwoordigers bepalen zelf wat ze zeggen en hoe ze stemmen. In Nederland bestaan politieke partijen wettelijk gezien zelfs eigenlijk niet, behalve voor subsidiedoeleinden. De fractie bepaalt dus zelf hoe ze zich politiek opstelt, de fractieleden gaan over hun eigen stemgedrag en kunnen dus ook besluiten om deel te nemen aan een college. Het enige wat een partij kan doen is ze er uit gooien als ze het echt te bont maken, maar dat ultieme middel wordt natuurlijk pas ingezet als alle pogingen tot bemiddeling mislukken. Het laatste voorbeeld hiervan is SP-Europarlementariër Kartika Liothard, die na ruzie met de fractievoorzitter als onafhankelijk lid verder ging.

Overigens verzet de wetgever zich er niet tegen dat de partij zich met de fractie bemoeit, bijvoorbeeld via overleg tussen bestuur en fractie of middels het afleggen van verantwoordelijkheid aan ledenvergaderingen. De fractieleden moeten zonder 'last of ruggenspraak' kunnen spreken en stemmen in de gemeenteraad, maar informatie en verantwoording is niet uitgesloten. Eén passage in de toelichting van het Arnhemse rapport verbaasde mij dan ook enigzins. Er wordt voorgesteld om de Arnhemse reglementen te wijzigen, zodat de afdelingsvoorzitter niet langer in de onderhanderlingsdelegatie voor de coalitieonderhandelingen zit. Dit is op zich een goed voorstel, want de fractie lijkt de eerst aangewezene voor het voeren van de onderhandelingen. De motivatie van de commissie is echter:
"Motivatie: Analoog aan landelijke reglement. Bestuurder kan geen lid zijn van de onderhandeldelegatie. De fractie is de wettelijk aangewezen onderhandelingspartner."
Hiervoor kan ik noch in de reglementen van GroenLinks noch in de wet steun vinden. In de GroenLinkse reglementen staat dat het bestuur wordt betrokken bij het interne overleg over de onderhandelingen, maar er staat niet dat een bestuurder de 'externe' onderhandelingen niet mag voeren. In de Gemeentewet staat maar één ding over de college-onderhandelingen, namelijk dat de burgemeester daar achteraf over geïnformeerd moet worden. Natuurlijk, uit de wet volgt dat de fractie geen betrokkenheid van de partij hoeft te zoeken en dat ze geen instemming van de partij nodig heeft. Maar dat betekent nog niet dat de fractie daarmee de 'wettelijk aangewezen' onderhandelingspartner is. Wettelijk gezien is daarvoor namelijk helemaal niemand aangewezen. Net als in de landelijke coalitieformatie is dit een proces wat zich grotendeels aan het geschreven recht onttrekt. Wat er wettelijk gezien toe doet is wie er uiteindelijk stemt over de benoeming van de wethouders. Dat is volstrekt helder: de raadsleden. Maar als de raadsleden onvoldoende draagvlak hebben binnen een partij(afdeling), kan dat wel uitmonden in conflict en crisis. En daar wordt uiteindelijk geen van beide beter van.

woensdag 21 juli 2010

Twitterspreekuur Femke Halsema: een korte impressie

Het was verbazingwekkend om te zien hoe veel twitteraars rond het middaguur de kans grepen om Femke Halsema te bevragen over de formatie. Volgens de site What the Hashtag? schreven 565 mensen een berichtje met daarin de hashtag #tweetuur, in totaal ruim 1100 berichten. Halsema zelf schreef er meer dan honderd. Nu zullen waarschijnlijk vooral politieke junkies hun vragen op Halsema hebben afgevuurd, maar het blijft toch een interessante en heel directe manier om in contact te komen met de leider van een politieke partij.


De onderwerpen die aan bod kwamen, bleken redelijk voorspelbaar, zo illustreert bovenstaande Wordle die ik van de transcriptie van het twitterdebat maakte. De namen van de deelnemende partijen, vooral natuurlijk GL, maar ook veel VVD, werden vaak genoemd. Daarnaast viel ook de naam van Wilders regelmatig (nog steeds meer een man dan een partij, blijkbaar). De 'SP' werd niet zo veel genoemd: Halsema lijkt voorlopig ook niet echt warm te lopen voor een coalitie met SP, PvdA en CDA. Opvallend is ook dat de naam van Rutte veel vaker viel dan die van Cohen (heel klein onderaan). De bal lijkt voorlopig dus nog bij Rutte en de VVD te liggen, waarbij druk werd gespeculteerd over een kabinet over rechts of toch door het midden. Het is nu aan het staatshoofd. Wellicht kan zij haar werkwijze straks ook via Twitter toelichten? 

dinsdag 29 juni 2010

De onzin van het 'grootste-winnaar' argument

Het Kamerdebat over de formatie bleek het Open Nederlands Kampioenschap Zwartepieten voor politici. Terwijl Halsema en Pechtold zich kostelijk vermaakten met het de les lezen van zowel Verhagen als Wilders, herhaalde Rutte nog maar eens dat het nooit aan hem had gelegen en zei Verhagen dat zijn partij een zeer consequente opstelling had. Wilders presenteerde zich als ware populist: hij was toch de grootste winnaar van de verkiezingen en zijn partij werd nu door de 'elitekliek' in een 'cordon sanitaire' omsloten. Vele fractievoorzitters toonden daar wel begrip voor: ja, als grootste winnaar moest Wilders toch echt wel serieus bij de onderhandelingen betrokken worden. Maar waarom eigenlijk?

Er is geen regel die stelt dat de grootste partij en de grootste winnaar in de formatie het voortouw zouden moeten nemen. Het is sinds jaar en dag gebruikelijk dat de grootste partij de leiding neemt, maar dit is niet noodzakelijk. Voor dit gebruik is wel een redelijke basis te vinden. Politicologen Michael McDonald, Robin Best en Ian Budge beargumenteren in een nog ongepubliceerd paper namelijk dat de grootste partij een groot draagvlak heeft. Die partij is heel vaak de Condorcet winnaar: de grootste partij zou in een electorale tweestrijd met elk van de andere partijen steeds als grootste uit de bus komen. Dit is geen logische noodzakelijkheid, maar het blijkt in de praktijk wel vaak zo te zijn. Daarom is het niet zo gek dat de grootste partij een 'voordeel' krijgt na de verkiezingen: deze is als eerste aan zet tijdens de formatie (en kan het premierschap opeisen als de formatie lukt).

Voor het toekennen van extra gewicht aan de 'grootste winnaar'  is geen basis te vinden. Waarom wint een partij? Omdat zij meer kiezers weet aan te trekken. Maar waarom zouden deze 'extra kiezers', kiezers die vaak van partij zijn gewisseld, nu meer meetellen dat kiezers die niet van partij zijn veranderd? Het CDA, dat sterk verloor, haalt nog steeds meer zetels dan 'winnaars' GroenLinks en D66 bij elkaar. In 1994 verloor de PvdA maar liefst 12 zetels; toch werd zij de grootste en leverde de premier van Paars-I. En was de SP belangrijker in 2002 toen ze van 5 naar 9 zetels ging, dan bij de afgelopen verkiezingen, toen ze van 25 naar 15 ging?

Het belonen van partijen die winnen enkel en alleen omdat ze winnen heeft niets met democratische meerderheidsbesluitvorming te maken. Integendeel, het is juist strijdig met de in de grondwet verankerde proportionaliteit van het kiessysteem. De 'grootste-winnaar' doctrine zet een premie op wispelturigheid. De stemmen van zwevende en anderszins volatiele kiezers wegen blijkbaar zwaarder dan die van iemand die zijn hele leven op dezelfde partij stemt. Dat is in strijd met het beginsel van one man, one vote. Wilders' betoog dat het 'ondemocratisch' zou zijn om niet met de PVV als grootste winnaar te onderhandelen vindt dus allesbehalve steun in de democratietheorie. Alleen maar met Wilders onderhandelen omdat hij veel heeft gewonnen, dát zou pas ondemocratisch zijn.

Voor de formatie tellen de verhoudingen in het parlement, die dankzij ons evenredige kiesstelsel een goede afspiegeling zijn van de politieke tegenstellingen onder de bevolking. De PVV is een heel belangrijke politieke speler geworden omdat ze met 24 zetels de derde partij van het land is geworden. Niet omdat ze gegroeid is. Het is belangrijk zo'n partij serieus te nemen in de coalitieonderhandelingen. Maar als de partij zich extreem opstelt, moet men niet raar staan kijken dat potentiele coalitiepartners (VVD, CDA) wellicht eerst andere opties gaan verkennen. Dat zijn die partijen ook aan hun kiezers verplicht. Van partijen mag verwacht worden dat ze hun verkiezingsprogramma willen realiseren. Als dat kan met de PVV moet men dat niet nalaten; maar als dat vanuit het CDA bezien beter kan met een nationaal kabinet, dan is het allerminst ondemocratisch om daar als partij als eerste op in te zetten.

zondag 27 juni 2010

De informateur heeft geen haast

De rituele dans van het coalitiespel. Zo noemde ik mijn vorige blogpost over de formatie. De afgelopen twee weken voldeden grotendeels aan dit beeld, hoewel er het vooral om ging met wie de partijleiders niet wilden dansen. Verhagen wilde niet met Wilders, Rutte niet met het drietal Cohen-Pechtold-Halsema, Cohen niet met het rechtse duo Verhagen-Rutte en Pechtold en Halsema houden blijkbaar niet van volksdansen, want zij zagen geen heil in een dans met z’n vijven. Dit zijn vooral omtrekkende bewegingen, want als de toehoorders zijn gemasseerd dan is geen enkele van deze coalities ondenkbaar.

Het doel van de rituele coalitiedans is niet zozeer ter vermaak van de deelnemers of toeschouwers. Het moet net lijken of ieder zijn huid duur verkocht. Cohen kan niet zomaar met CDA-VVD gaan praten, Rutte kan noch zo veel van Paars+ houden, maar dat pikt zijn achterban niet, en ook voor Verhagen geldt dat zijn fractie, die sowieso waarschijnlijk niet echt staat te springen, niet zomaar zal instemmen met een kabinet met PVV en VVD.

Hoe lang zal deze voorstelling nog duren? Een kabinet voor 1 juli was natuurlijk volstrekt belachelijke verkiezingsretoriek, dat wist Rutte zelf ook wel. Als we de huidige procedure eens langs die van de vorige keer leggen, zien we dat de huidige formatie niet atypisch is. Toen duurde de verkennende fase vanaf verkiezingsdag tot de benoeming van Wijffels net geen maand (28 dagen). Daarvan werden 11 dagen besteed aan een verkenning van een combinatie CDA-PvdA-SP, die niet succesvol bleek. Daarna werd in zo’n vijf dagen besloten dat de ChristenUnie de derde coalitiepartij zou moeten zijn. De onderhandelingsfase onder leiding van Wijffels duurde ongeveer 50 dagen (inclusief kerstvakantie). De laatste 13 werd onder leiding van formateur Balkenende gewerkt aan de personele invulling.



Het huidige proces bevindt zich duidelijk nog in de verkennende fase. De gesprekken van het staatshoofd en informateur Rosenthal duurden bij elkaar 16 dagen. Daarbij werd eigenlijk slechts één coalitie uitgesloten, namelijk die met de grootste partij en de grootste winnaar (VVD-PVV-CDA), net zoals tijdens de informatie van 2006 toen eerst de coalitie met CDA en SP werd verkend. Vier jaar geleden stemde de PvdA daarna vrij snel in met de ChristenUnie als derde partij. Dat ligt ook een stuk makkelijker dan instemmen met een coalitie met CDA en VVD. Ten eerste staat de ChristenUnie een stuk dichterbij de PvdA dan het CDA. Ten tweede was het een veel kleinere partij. De vraag is dus of de PvdA nu ook weer zo snel zal instemmen als vier jaar geleden. Dit geldt ook voor de andere partijen.

Het valt dus te verwachten dat de eerste informatiefase langer gaat duren dan vier jaar terug. De fractievoorzitters zullen proberen te gaan onderhandelen over hun eigen voorkeurscoalitie. Een ander scenario is dat ze er nu wel snel uitkomen, maar de echte onderhandelingen zullen laten klappen (zoals in 2003 bij CDA-PvdA, zoals ook bij Paars in 1994). Gemakkelijk zal het in ieder geval niet worden; waarschijnlijk zal de formatie dus zelfs iets langer duren dan in 2006.

zondag 20 juni 2010

Stemgedrag per wijk in Leiden: kwart stemt op PVV in Noord

Een kwart van de kiezers in de Leidse wijken Noord en Stevenshof stemde bij de Tweede Kamerverkiezingen op de PVV. Daarmee werd de partij de grootste in de Stevenshof en net tweede achter de PvdA in Leiden Noord. Dit blijkt uit een analyse van de stembusuitslagen in Leiden, die op aanvraag door de gemeente werden verstrekt. Ook de PvdA en de SP doen het goed in Noord en de Stevenshof, terwijl VVD, D66 en GroenLinks juist in de binnenstad en het Boerhaavedistrict hun beste uitslagen boekten.


Het stemgedrag markeert een verschil tussen volkswijken en 'liberale' wijken. De kleurcodes in de onderstaande figuur geven aan waar een partij het relatief goed heeft gedaan. In Leiden Noord halen PvdA en PVV samen de helft van de stemmen, maar scoren liberale partijen als de VVD en D66 ruim onder hun gemiddelde Leidse score. In de Binnenstad-Noord is de VVD juist de grootste partij, terwijl ook D66 en GroenLinks daar een goede score laten zien. Het CDA doet het juist het beste in de zuidelijke wijken en het Morsdistrict. Het extra stembureau op het station bleek vooral een uitkomst voor kiezers op D66 en GroenLinks; PVV’ers gaan blijkbaar niet in grote getale met de trein, want hun partij scoorde bij dit stembureau zeer laag.

Winst en verlies ten opzichte van de vorige verkiezingen laat een meer divers beeld zien. Het CDA verliest overal, maar heet meeste in de Stevenshof. In Noord is het verlies in procentpunten beperkt, want de partij was daar al niet al te sterk. PvdA en SP leveren juist het meeste in in Leiden Noord. Het blijft het district met de meeste SP-stemmers, maar hun aantal is wel gehalveerd (van 25% naar 12%). De PVV weet zijn positie in Noord en de Stevenshof sterk te verbeteren. D66 boekt overal vooruitgang, maar met name in de meer progressieve wijken (bijv. Boerhaave, binnenstad), waar centrum-linkse kiezers die D66 bij de vorige verkiezingen nog meden, nu weer in grotere aantallen op de sociaal-liberalen stemmen. Al met al zijn er bepaalde wijken waarin de linkse partijen (PvdA, SP, GL, D66, CU) het goed doen en wijken waarin de rechtse partijen (VVD, PVV, CDA) hun positie versterken. In Noord is de verschuiving van links naar rechts het meest opvallend. De SP verliest fors en de PVV wint. Hoewel je op basis van deze gegevens niet met zekerheid kunt zeggen dat er daar SP'ers zijn overgelopen naar de PVV, lijkt dat wel een voor de hand liggende verklaring voor althans een deel van de verschuiving.


De patronen van het stemgedrag kunnen ruimtelijk worden weergegeven, met behulp van een correspondentie-analyse. In het onderstaande ruimtelijk figuur staan partijen en wijken. Partijen staan dicht bij de wijken waar ze het relatief goed deden en ver verwijdert van de wijken waar ze relatief slecht scoorden. Daardoor staan partijen die het goed deden in dezelfde soort wijken dicht bij elkaar. Rechts in de figuur staat de PVV, die vooral steun kreeg in Noord en de Stevenshof. Ook de SP doet het goed in deze wijken, waardoor de SP relatief dicht bij de PVV staat. Linksboven staan de links-progressieve partijen, GroenLinks en D66, die steun krijgen in en rond het station en in de Binnenstad(-Noord). De PvdD, ChristenUnie en PvdA staan in het midden van het figuur. Dat betekent dat de variatie in stemgedrag tussen de wijken niet heel groot is. De PvdA deed het bijvoorbeeld heel goed in de Merenwijk, maar ook in Noord. Iets verder naar onder staat de VVD, die het goed doet in de Binnenstad-Zuid, maar ook in het Roodenburgerdistrict. De VVD staat dus tussen D66 en GroenLinks aan de ene kant en het CDA aan de andere kant in. Het CDA staat helemaal onderaan de figuur. De partij doet het vooral goed buiten het centrum (behalve Stevenshof en Noord).

Deze figuur lijkt redelijk veel op de analyse van het stemgedrag van de gemeenteraadsverkiezingen die Simon Otjes maakte. De wijken staan zo’n beetje op dezelfde plek. De partijen zijn soms iets verschoven: D66 richting GroenLinks, PvdA meer naar het centrum, de PVV duidelijk meer naar rechts dan de lokale SLO en Leefbaar Leiden bij de gemeenteraadsverkiezingen stonden. Al met al zijn de geografische patronen van het stemgedrag redelijk stabiel. Dit valt ook de zien als je het stemgedrag voor de gemeenteraad vergelijkt met het stemgedrag voor de Tweede Kamer. Hierbij is de score van de PVV vergeleken met die van SLO en Leefbaar (hoewel daar het een en ander op af te dingen is). PvdA, VVD, GroenLinks en de PVV deden het over het algemeen beter, de andere partijen (met name D66) konden hun score voor de gemeenteraadsverkiezingen niet evenaren. Opvallend is het ‘verlies’ van D66 in het Roodenburger-, Bos- en Gasthuis-, en Merenwijkdistrict. Wellicht stemden kiezers die bij de gemeenteraadsverkiezingen vanwege lokale onderwerpen niet op de PvdA (en GroenLinks) stemden, voor de Tweede Kamer wel voor PvdA en GroenLinks gegaan.