Over de RGL is in 2007 een referendum gehouden in Leiden. Daaruit bleek een groot verzet tegen de tramlijn onder de Leidse bevolking. Er zijn echter wel duidelijke verschillen tussen de Leidse districten (zie grafiek): in het Roodenburger-, Bos- en Gasthuis-, Merenwijk- en Stevenshofdistrict was het aantal nee-stemmers duidelijk groter dan in de andere districten.
Een tweede verklaring voor stemgedrag kan een negatief oordeel over de eigen leefomgeving zijn. Mensen die het idee hebben dat hun leefomgeving achteruit gaat, vertalen dat wellicht eerder in een stem op een oppositiepartij. De Gemeente heeft hier onderzoek naar gedaan in 2007. Er werd gevraagd of men het idee had of de leefomgeving voor- of achteruit was gegaan (of gelijk gebleven). Ook hier zien we verschillen tussen de wijken: het gevoel van achteruitgang van de leefomgeving is het sterkste in de Stevenshof, Noord en in mindere mate de Merenwijk.
Deze cijfers kunnen worden vergeleken met de relatieve winst en verlies van partijen in alle wijken. Dit geeft enig inzicht in de mate waarin deze variabelen een rol spelen. Toch is hierbij enige voorzichtigheid geboden: dit zijn allemaal gegevens over de districten, niet over individuen in de districten. Snelle conclusies op basis van dit soort gegevens kunnen leiden tot een ecological fallacy. In onderstaande grafiek staat de correlatie tussen de relatieve winst/verlies van elke partij (in elk district) en elk van de verklarende variabelen (in elk district). De sterke positieve waarde van SP voor Leefbaarheid geeft bijvoorbeeld aan dat de SP vooral goed scoorde (= minder verloor t.o.v. 2006) in wijken waar meer mensen vonden dat hun wijk achteruit gaat. Getallen van boven de +- 0.55 leveren steeds een statistisch significant verband op (niveau 0.05).

Voor de PvdA en het CDA zien we een redelijk sterk negatief verband tussen Leefomgeving en RGL Nee en winst of verlies in de verkiezingen. Dit betekent dat deze partijen vooral verloren t.o.v. 2006 in wijken waarin veel mensen vonden dat de leefomgeving achteruit was gegaan en in wijken waarin relatief veel mensen tégen de RGL hebben gestemd. Natuurlijk verliest de PvdA overal, maar vooral in de wijken die sterk tegen RGL en negatief gestemd waren over de RGL.
Voor andere partijen zien we een positief verband tussen het aantal mensen dat tegen de tram stemde en het resultaat bij de verkiezingen: SP, D66 en Leefbaar Leiden. Dit zijn allen tegenstanders van de RGL. Hoewel ook andere partijen zich hebben verzet tegen de tram (CU, SLO), maar we zijn daar op wijkniveau geen effect van. Voor GL, VVD, SLO en CU zijn er geen duidelijke effecten op wijkniveau te zien van de tram.
Als we kijken naar de leefomgeving, zien we dat met name SP, VVD, CU, LL en SLO het relatief goed hebben gedaan in wijken waar men negatief was over de leefomgeving. Met uitzondering van de VVD waren dit allemaal oppositiepartijen. Wellicht heeft de VVD met de boodschap van 'harde aanpak van criminaliteit' juist ook deze kiezers weten aan te spreken. Voor D66 en GL zien we hierbij op wijkniveau geen verschillen.
Hoewel deze gegevens op wijkniveau tot voorzichtige conclusies nopen, bevestigen de gegevens de te verwachten patronen: partijen die tegen de RGL waren winnen vooral (of verloren minder) in wijken waar men in grote getale tegen de tram stemde. En oppositiepartijen deden het beter in wijken waarin bewoners het gevoel hadden dat de wijk achteruit ging. Dit ging met name op voor de rechtse partijen en de SP. Opvallend is wel dat het verlies van GroenLinks op deze manier niet te verklaren is. Dit verlies was ook redelijk gelijk verspreid over de stad. Wellicht is het te verklaren door andere factoren (Oostvlietpolder, vertrek uit college).

6 reacties: